
Wetenschap, in het algemeen de kennis over iets, meer in het bijzonder het systematisch geordende geheel van kennen, getoetst door middel van methodologisch onderzoek om dat geheel te verifiëren.
1. ALGEMEEN
Vanaf de middeleeuwen gebruiken we dezelfde
indeling van de wetenschappen.
Door het ontstaan van nieuwe wetenschappen, zoals de sociale
wetenschap, en door nauwere samenwerking van vakgebieden onderling, is
deze indeling enigszins onder druk komen te staan.
Van oudsher zijn aan het type kennis, dat
als wetenschap te boek staat, kenmerken toegekend als:
'De (professionele, amateur- of leken-)
wetenschapsbeoefenaar tracht in zijn sector de verschijnselen, die zich
door ervaringsprocessen aan hem
voordoen, systematisch te beschrijven, te ordenen, te registreren, te begrijpen, te verklaren;
daarbij is hij er in het bijzonder op gericht nieuwe verschijnselen te
kunnen voorspellen, om ten slotte via die voorspelbaarheid de sector in kwestie te
kunnen beheersen, c.q. de verschijnselen te kunnen beïnvloeden'.
Een definitie als deze past heel goed in een bepaald idee van
wetenschapsfilosofie, dat in het midden van de 19de eeuw ontstond:
positivisme.
Deze
stroming vormt nog steeds de spil van het wetenschappelijk denken:
afstandelijk, experimenteel, metend.
Zó heeft men in verschillende
tradities niet altijd tegen wetenschap aangekeken.
Het heeft in het Westen zelfs zeer lang geduurd voor er behoefte
ontstond aan een scherpe omschrijving van wetenschap.
Pas toen in de 17de eeuw bijgeloof, vóóroordeel, traditie
en aristotelische autoriteit onder
vuur kwamen, scherpten filosofen het begrip wetenschap aan.
René Descartes formuleerde in zijn Discours de la
méthode
(1637), dat ontwijfelbare kennis (Lees, Een gedeelte van de alles
omvattende kennis etc.) alleen ontstaat vanuit elementaire, scherp
afgebakende stukjes kennis, gerangschikt als in een wiskundig bewijs;
empirische waarneming blijft ondergeschikt aan het ordenende verstand.
Het nieuwe technische instrumentarium
(verrekijker, microscoop, precisie-uurwerk, enz.) maakte het eindelijk
mogelijk om 's mensen onbe-
trouwbare zintuigen aan te vullen of zelfs te vervangen.
De Industriële Revolutie steunde met haar technische progressie de
wetenschappen meer dan deze zichzelf wilden toegeven. (Uiteindelijk zou
± 1900 het motto 'True is what
works' de wetenschappen over een breed front typeren).
In de 19de eeuw ontstond
een wijsgerige visie [kijk op grondwaarheden] op wetenschap, waarbij de
ratio [rede, oorzaak, grond] niet langer domineert, maar empirie
[ervaring] en logisch-wiskundige ordening gelijk opgaan: De
tijd van het 'wetenschapspositivisme' was aangebroken. (Zie ook positivisme.)
Wetenschap heette nu te bestaan uit: Getelde of gemeten instrumentele
waarnemingen, methodisch verkregen, getoetst
en logisch gestructureerd, die uiteindelijk leiden tot theoretische
uitspraken (zo mogelijk in de vorm van een formule).
Hoewel nog steeds dominerend is positivisme
toch niet (...) de enig mogelijke opvatting van wetenschap (lees,
Benadering van kennis).
Anders dan in het positivisme laten andere visies zich meer gelegen
liggen aan de specifieke aard van de zo verschillende objecten van
wetenschappelijk onderzoek (vergelijk: moleculen, levende materie, de
menselijke geest, het onbewuste, kunst, ideologie); een alles gelijk-
schakelende researchmethode kan aan deze geschakeerdheid nooit recht
doen.
N.B. Alle methoden van wetenschappelijke benadering van
de
'allesomvattende kennis' wordt gedaan door de menselijke geest; het
denken.
Het denken is wat de hersenen doen... Of
het nu rationeel, (anti-)positief of romantisch is, het intellect (de
ziel of levensvonk) bepaalt, wat de hersenen bewust willen (of onbewust moeten) denken of niet...
De taak van de onderzoeker heet dan ook niet de
natuur te exploiteren of te overheersen, of mens en maatschappij te
reduceren tot pure nuttigheid; zijn taak is inpassing, herschikking en
wegnemen van belemmeringen voor ontwikkeling.
Een dergelijk romantisch
wetenschapsidee heeft (ondanks zijn veel minder uitgewerkte methodiek)
in de 19de en 20ste eeuw steeds weer aandacht gekregen, en invloed
uitgeoefend op researchvisies die minder ver van het positivisme
afstonden.
Sinds de jaren zestig, 20ste eeuw was de romantiserende benadering
bespeurbaar in de antipsychiatrie, milieubeweging,
anti-autoritaire opvoeding, techniekkritiek en alternatieve
geneeswijzen.
De kloof tussen zulke 'uiterste' standpunten in de visie op wetenschap lijkt niet wetenschappelijk overbrugbaar (vanuit wetenschappelijk perspectief en perceptie [resultaat van bewuste waarneming] gezien), al kan de afstand tussen het kwalitatieve en het positivistische wereldbeeld wel verkleind worden.
3. INDELING VAN DE WETENSCHAPPENEen belangrijk element van het
wetenschapsbegrip zit in het contrast tussen wetenschap-in-het-algemeen
en het brede scala van de disciplines, die zich in de loop van de tijd
hebben uitgekristalliseerd vanuit een klein aantal kernwetenschappen.
De indeling ervan is 'zeer oud en is bestendig' gebleken; de grondslag
is uiterst traditioneel.
De middeleeuwse indeling van de universitaire studies in vier faculteiten;
vormt nog steeds de romp van het
moderne bestel.
De 'vrije kunsten' waren overgenomen uit het Griekse
opvoedingsideaal van de vrije burger; hij werd bij zijn training tot
lid van de politieke gemeenschap onderwezen in twee groepen vakken,
Op het middeleeuws gymnasium
leerde men zich hierbij op de Latijnstalige universiteit voor te
bereiden.
'Prekandidaats'-studenten liepen eerst nogmaals het trivium
door vóór zij ter afstudering naar een andere faculteit
vertrokken.
De facultaire indeling in zulke hogescholen liep parallel
met de ordening in wetenschappelijke disciplines.
Zelfs de Franse Revolutie kon de universitaire bolwerken niet slopen, al sloeg de ondergang van het bijbels-feodaal wereldbeeld wel bressen; vergelijk: de opmars van de techniek in de Industriële Revolutie (waar zij in het algemeen geen entree kreeg tot de universiteiten, ontstonden nieuwe polytechnische scholen); emancipatie van de eerste echte sociale wetenschappen uit de oude deugdenmoraal (zij werden in eerste instantie ondergebracht bij rechten en letteren); het verdwijnen van de experimentele natuurkennis (voortaan 'science' geheten) uit het filosofisch keurslijf.
De productie van nieuwe kennis, in de 19de eeuw gepaard gaand met veel wetenschapspropaganda, brak nu in het oude bestel in. Voorbeelden ervan zijn: Het evolutiedenken, tijd- en bewegingsonderzoek, perceptie [(resultaat van) het bewuste waarnemen] onderzoek.
In de 20ste eeuw versnelden wetenschappelijke en technische research zozeer, dat menigmaal de organisatie van het onderwijs en de theoretische ordening van disciplines botsen en nog...
Vooral de Tweede Wereldoorlog
leidde in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië tot zeer
onorthodox, maar uiterst succesrijk teamwork tussen 'universitairen',
ingenieurs, militairen en organisatiedeskundigen.
De hausse aan technologisch-wetenschappelijke vernieuwingen (atoombom,
kortegolfradar, raketten, de eerste computer, nieuwe
assemblagetechnieken, operationele research) was zo sterk, dat de
bestaande afbakening tussen de wetenschappen, waaronder Rechts-
geleerdheid, niet houdbaar bleek.
Technologie, natuurwetenschappen, sociale wetenschappen en economie drongen op elkaars terrein door; min of meer improviserend ving men dit op met ad hoc-oplossingen (zoals tussenafdelingen en interfacultaire instituten).
De 'facultaire' vakkenindeling in het wetenschappelijk onderwijs rijmt niet meer met de inhoudelijke transformatie van wetenschappen.
Wetenschappelijk onderzoek, of research,
wordt gewoonlijk onderscheiden in
De waarde die een land toekent aan onderzoek wordt bepaald aan de hand van een percentage van het nationaal inkomen dat aan onderzoek wordt besteed. Meestal ligt dit tussen de 1 en 3%.
In Nederland [lees, Holland, een deel van het Koninkrijk der NederlandEN]
wordt ongeveer 2% van het nationaal inkomen besteed aan
wetenschappelijk onderzoek. (Middenmoot...)
Ongeveer de helft van het onderzoek wordt verricht in het
bedrijfsleven;
daarvan nemen de vijf grote multinationale ondernemingen (Akzo Nobel,
DSM, Philips, Shell en Unilever) circa 50% voor hun rekening.
De overheidssector neemt ongeveer 20% voor zijn rekening. Hier gaat het
om grote technologische instituten als het Waterloopkundig
Laboratorium, het Energiecentrum Nederland [lees, Holland, een deel van
het Koninkrijk der
NederlandEN], het RIVM en TNO.
Veel onderzoek (25%) wordt verricht aan universiteiten. Dit onderzoek
wordt betaald uit een drietal geldstromen:
Een klein deel van het onderzoek (vooral medisch) vindt plaats in de non-profit-sector en wordt vooral betaald uit vrijwillige giften en donaties van zogenoemde collectebusfondsen.
Andere indeling:
De typen onderzoek kunnen worden verdeeld in:
Fundamenteel
onderzoek vindt vooral plaats aan universiteiten, maar ook 't
bedrijfsleven richt zich daarop.
Toegepast
of doelgericht onderzoek vindt voornamelijk plaats aan de
researchinstituten van de overheid en ontwikkelingswerk, gericht op
snelle en praktische toepasbaarheid voor verkoop en handel, wordt
vooral in het bedrijfsleven uitgevoerd.
Voor België
geldt min of meer hetzelfde.
Ook daar geschiedt het fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten en andere instellingen
voor hoger onderwijs, alsmede aan diverse door het rijk opgerichte
wetenschappelijke instellingen (als bijv. het Koninklijk Meteorologisch
Instituut, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen,
het Belgisch Instituut voor Ruimte-aëronomie), en het toegepaste onderzoek in de
laboratoria en research-afdelingen van bedrijven.
Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek wordt gestimuleerd door het
Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO).
Fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek
vloeit voort uit het verlangen meer en beter begrip van de bestaande werkelijkheid te krijgen.
Dit onderzoek beperkt zich echter niet tot de feitelijk (bestaande)
aangetroffen werkelijkheid. Zo houdt de chemie zich niet slechts bezig
met het onderzoek van de in de natuur voorkomende chemische stoffen en
hun werkingen. Met dit onderzoek is de chemie wel begonnen, maar toen
ze een enigermate systematisch begrip van de natuurlijke stoffen kreeg,
bleek tegelijk dat er op grond van de gevonden natuurwetten, die de
vorming van chemische verbindingen beheersen, veel meer verbindingen
mogelijk waren dan er bekend waren.
De poging deze onbekende stoffen, waarvan men enkele eigenschappen tot
op zekere hoogte voorspellen
kon, nu ook werkelijk te 'maken', werd daarmee een belangrijk
onderdeel van het wetenschappelijk onderzoek. Want enerzijds was dit
'maken' nodig om de theorieën, die de mogelijkheid van nieuwe
stoffen lieten zien, te toetsen, en anderzijds verbreedden deze nieuwe
stoffen met hun eigenschappen (vooral voor zover deze nog niet
voorspelbaar waren) het veld van onderzoek.
Uit de geschetste gang
van
zaken blijkt wel hoe nauw fundamenteel en toegepast
wetenschappelijk onderzoek met elkaar verbonden zijn:
de mogelijkheid nieuwe stoffen te realiseren kan immers ook benut
worden om stoffen te maken met zodanige eigenschappen als voor bepaalde
praktische doeleinden bruikbaar zijn. Let wel: Er is hier nog steeds
sprake van onderzoek naar materie, het stoffelijke, het tastbare.
Ook voor de maatschappijwetenschappen geldt iets dergelijks.
Naarmate de feitelijk in het verleden en heden aangetroffen
maatschappelijke structuren beter bekend worden en zowel in hun
historische samenhang als in hun relatie met bepaalde cultuuruitingen
enigermate doorzien worden, treedt
tevens
aan het licht dat ook maatschappelijke structuren niet
zonder meer 'van nature' gegeven
zijn, maar voor
wijziging vatbaar. Uit de aard van de zaak is het bij de
maatschappijweten- schappen moeilijker een vruchtbaar samenspel tussen
theorie en experiment te realiseren dan bij de natuurwetenschappen.
Zo is het bijv. eenvoudiger in een laboratorium een computer te
construeren en te onderzoeken wat daar zoal technisch mee gedaan kan
worden (en wat mis kan gaan) dan vast te stellen wat de mogelijke
maatschappelijke consequenties ten goede en ten kwade zijn van de
invoering van de computer in het maatschappelijk bestel. Dat kan in
feite slechts in de maatschappij zèlf bestudeerd worden en niet
in een geïsoleerde laboratoriumsituatie.
Hoe groot het belang van
fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek voor de toepassing van
wetenschappelijke resultaten is, blijkt vooral daaruit dat fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek geheel nieuwe dimensies van kennis en
toepassing kan ontsluiten.
Toegepast wetenschappelijk onderzoek is erop uit reeds bekende
wetenschappelijke kennis voor een bepaald doel te benutten. Het zal dus
niet zelf resultaten opleveren die de grenzen van onze kennis naar een
nieuw niveau verleggen. Dit moge door een voorbeeld worden toegelicht.
Uit het fundamenteel wetenschappelijk
verlangen
meer begrip te krijgen van de verscheidenheid van chemische
stoffen en hun werkingen is de moderne atoomtheorie ontstaan. (N.B.
Weer over het stoffelijke, het tastbare).
Uit de bouw van de atomen (een atoomkern met daaromheen elektronen in
verschillende 'schillen') kon men echter niet alleen de reeds bekende
werkingen van de onderscheiden stoffen tot op grote hoogte begrijpen,
er bleek ook uit dat er nog heel andere werkingen mogelijk waren dan de
bekende chemische reacties. Bij het nieuwgevonden type van reacties
zijn de atoomkernen, die bij gewone chemische reacties onveranderd
blijven, zelf betrokken: Het zijn de kernen die uiteenvallen of met
andere samensmelten. Daardoor werd een nieuwe tot dan toe volstrekt
onbekende energiebron ontdekt (de kernenergie), al bleek later dat ook
de zonne-energie op kernreacties in de zon berustte.
De kernenergie zou nooit gevonden zijn langs de weg van de toegepaste
wetenschap, bijv. bij een poging bekende energiebronnen beter te
benutten.
Ook van de kant van de
toegepaste
wetenschap laat zich de nauwe relatie tussen fundamentele en toegepaste wetenschappen
goed toelichten. Wanneer toegepaste wetenschap de resultaten van het
fundamenteel wetenschappelijk onderzoek tracht dienstbaar te maken aan
een bepaalde behoefte, bijv. de resultaten van de biologie aan de
geneeskunde, dan zal maar al te vaak blijken hoeveel lacunes er nog
zijn in de betrokken fundamentele wetenschap.
Dit stimuleert uiteraard de pogingen deze lacunes op te vullen. Zulks
kan gebeuren doordat een instituut voor toegepast onderzoek zich op het
terrein van het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek gaat bewegen.
In het algemeen echter
zullen
de bedoelde lacunes een stimulans betekenen voor instituten voor
fundamenteel wetenschappelijk onderzoek om zich te gaan toeleggen op
die gebieden van wetenschap waar blijkbaar grote praktische behoefte
aan bestaat.
Dit klemt te meer omdat (fundamenteel en toegepast) wetenschappelijk
onderzoek een kostbare aangelegenheid is geworden, waarvoor de
gemeenschap zich grote offers moet getroosten. Zij zal daartoe eerder
bereid zijn als deze offers niet slechts tot kennisvermeerdering
leiden, maar uiteindelijk ook tot praktisch bruikbare resultaten.
Het is dus zeker niet
zo
dat de voortgang van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
uitsluitend uit eigen aandrift (het zoeken naar steeds beter begrip van
de werkelijkheid) tot stand komt.
Factoren van buitenaf hebben grote invloed op het gebied dat bij
voorkeur onderzocht gaat worden. Wel blijft echter gelden dat eenmaal
een bepaald gebied van onderzoek gekozen, vruchtbaar wetenschappelijk
werk slechts tot stand kan komen op grond van het verlangen naar
begrip. De mogelijke toepassingen verdwijnen dan, ten minste voorlopig,
uit het gezichtsveld. Zo is er altijd een zekere afstand tussen fundamenteel en toegepast onderzoek.
Deze afstand is er ook
nog
om een andere reden.
Iedere wetenschap bekijkt de werkelijkheid onder een bepaald
aspect. (Probleemstelling, Veronderstelling, standpunt of
vooringenomenheid?) Ze is derhalve altijd abstract. (...)
Zo beschouwt de fysica of de chemie, wanneer zij bijv. de mens
bestudeert, de mens louter en alleen voor zover in hem fysische of
chemische activiteiten plaatsvinden. Uit het gezichtspunt van deze
wetenschappen verschilt de mens derhalve niet van andere objecten die
zij bestuderen.
In de geneeskunde, die
chemie
en fysica toepast, ligt de situatie, zoals in elke toegepaste
wetenschap, echter anders.
Toegepaste wetenschap heeft altijd met de concrete werkelijkheid te
maken, de geneeskunde met concrete zieke mensen
Daarom zal het toegepast
wetenschappelijk onderzoek uit zijn aard veel eerder het karakter van multi- of interdisciplinair onderzoek,
waarbij
verschillende
wetenschappelijke disciplines betrokken zijn, aannemen dan
fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.
De praktische doelstelling vraagt erom, ook al zijn de betrokken
wetenschappen er nauwelijks rijp voor, een enkeling daargelaten...
Bij het fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek
komt de eis tot interdisciplinaire samenwerking veel meer uit
de wetenschappelijke probleemstelling zelf voort.
Overigens is de interdisciplinariteit in het fundamentele onderzoek
aanzienlijk toegenomen doordat juist op de raakvlakken van disciplines
nieuwe ontwikkelingen en ontdekkingen werden èn worden verwacht.
Gezien de steeds ingrijpender
toepassingen
van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en de
steeds grotere kosten daarvan is het begrijpelijk dat de maatschappij
steeds meer greep probeert te krijgen op het wetenschappelijk
onderzoek, niet slechts op het toegepast (dit kan reeds zijn vruchten
afwerpen...), maar ook op het fundamenteel (waar het nog maar
afwachten is, wat het op zal leveren...).
De meest dringende reden is wel dat gebleken is, dat de toepassing van
wetenschap naast grote maatschappelijke voordelen ook enorme gevaren
met zich meebrengt. Deze gevaren zijn van verschillende aard.
Bij rechtsgeleerdheid
(wetenschap van het recht, dus niet de wet) wordt 'het recht' ook
bedreigd.
De toepassing in de Rechtelijke
Macht wordt bedreigd met
zelfvernietiging, van binnen uit door meer
kennis van het (internationale) recht en alles waarvan de
rechtswetenschappers zèlf menen in rechtsregels te moeten
vatten. Met als gevolg: Meer ongebreidelde, niet meer te
controleren en
in toom te houden bureaucratie en
codificatie van het 'gezocht en
gevonden' recht in wetboeken e.d.
Belangrijker dan deze uitgesproken negatieve aspecten van de groei is wellicht nog een ander: hoezeer onder invloed van de ontwikkeling van wetenschap en techniek de welvaart ook toegenomen moge zijn, de verbetering van de materiële kwaliteit van het bestaan geldt nog steeds slechts voor een klein deel van de mensheid (...), terwijl het daarenboven zeer de vraag is of met de verbetering van hun materiële kwaliteit hun menselijke kwaliteit ervan niet ernstig geleden heeft. Buitenstaanders zullen dit volmondig beamen.
De bovengeschetste maatschappelijke
verontrusting
over de gang van zaken plaatst ook het wetenschappelijk
onderzoek zelf voor nieuwe taken;Voor een deel gaat het hierbij om natuurwetenschappelijke en technische
problemen, zoals de ontwikkeling van technische procedés die de
natuur niet uitputten en vervuilen.
Aangezien niet alles ineens
gedaan
kan worden, komt allerwegen de vraag op naar een nationaal en
eventueel internationaal wetenschaps- beleid waarin prioriteiten en
taakverdeling kunnen worden vastgesteld. Eenvoudig is dit niet.
Bij toegepast
wetenschappelijk onderzoek kan dit nog het gemakkelijkst zolang het om
afzonderlijke problemen gaat. Er kunnen bepaalde noden en behoeften
zijn die dringend om een oplossing vragen of schreeuwen en waarvan
redelijkerwijze verwacht mag worden (gegeven de stand van de betrokken
wetenschappen) dat het onderzoek op korte termijn resultaat kan
opleveren.
Zo gauw het echter om
het
bepalen van prioriteiten voor het gehele wetenschappelijk onderzoek
gaat, liggen de zaken anders, tenminste als men daarbij denkt aan een
prioriteitenbepaling in eigenlijke zin.
Een dergelijke bepaling veronderstelt dat een overzicht bestaat van
alle relevante stappen, waarbij ook duidelijk is welke stappen eerst
gezet moeten worden voor een volgende mogelijk is. Van een dergelijke
prioriteitenbepaling moet een andere onderscheiden worden, waarbij dit
overzicht ontbreekt, maar waar men toch, omdat nu eenmaal niet alles
tegelijk gedaan kan worden, op grond van min of meer toevallige ge-
gevens vaststelt wat het eerst aan de beurt komt of waarop de meeste
nadruk zal vallen. Lobbyisten,
werk
aan de winkel...
Er is alle reden voor
de
veronderstelling dat we ons wat betreft het totale wetenschappelijk
onderzoek vooralsnog met het tweede type van prioriteitenbepaling
moeten behelpen.
Want hoeveel wetenschappelijk onderzoek er reeds verricht is, in feite
weten we nog maar betrekkelijk weinig, daar kennis voorbij het
tastbare reikt. Deze onkunde gaat ook zo ver dat het niet goed
mogelijk is van tevoren vast te stellen langs welke weg we tot een
beter inzicht kunnen komen. Moeten we, om meer inzicht te krijgen in
menselijk gedrag, bijv. prioriteit geven aan de biologie of juist aan
de psychologie of sociologie?
Soortgelijke overwegingen
gelden
ook met betrekking tot de vraag welke methode in een bepaalde
wetenschap de voorkeur verdient.
Moet men in de psychologie bijv. methoden ontwikkelen die zo dicht
mogelijk aansluiten bij die welke in de natuurwetenschap zo succesvol
gebleken zijn, of juist andere die meer recht lijken te doen aan het
specifiek menselijke?
Voorlopig lijkt de verstandigste weg zoveel mogelijk alle
wetenschappelijk onderzoek te stimuleren, met name de raakvlakken tussen disciplines,
omdat
niemand weet waar beslissende doorbraken in onze kennis kunnen
komen.
Er is nog een andere overweging
die
ertoe leidt het fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek zo veelzijdig mogelijk te beoefenen.
De enorme betekenis van dit onderzoek voor de oplossing van
maatschappelijke problemen, oude en nieuwe (waaronder ook door de
weten- schap zelf veroorzaakte), doet weleens vergeten dat de behoefte
aan kennis, aan begrip van zichzelf en van de omringende werkelijkheid
een specifiek menselijke behoefte is en daarmee ook een
maatschappelijke behoefte van de eerste orde. Zij moet derhalve als
zodanig gecultiveerd worden.
Maar al gaat het dan hier
om
de cultivering van de kennis om haarzelf 's wil, dit betekent niet
dat deze cultivering zonder verdere maatschapp- elijke consequenties
is, behalve dan voor het onderwijs en andere vormen van
kennisoverdracht.
Zonder een algemeen hoog niveau van kennis en bewustwording is nl. geen
toepassing van specifieke resultaten van mens- en maatschappij-
wetenschappen mogelijk. Omdat deze resultaten op de mensen zelf
betrekking hebben, kunnen deze resultaten slechts benut worden indien
de mensen zelf deze toepassen. Dit in tegenstelling met de
natuurwetenschappelijke kennis, die door een beperkte groep van
deskundigen gehanteerd kan worden bij het maken van technische dingen,
die daarna zonder veel eigen kennis algemeen gebruikt kunnen worden.
|
Discussiëren
of
anderszins, zoals forum, kopij,
rectificatie en
weerwoord, waarheidscommissie, voor
branchegenoten.
Klik op deze tekst-hyperlink voor de desbetreffende pagina in dit openbare digitaal onderzoeksdossier Lagunisol-Gate Vorige
pagina
met bladerknoppen
of Alt plus
<- Beginpagina
of inhoudsopgave van
dit
openbaar onderzoeksdossier
|