CopyRighted&Registered
E E N   W E T E N S C H A P P E R
Beëdigd ©Rechtsfenomenoloog®

VOORAF:
Pas 15 Oktober 2007 is DEZE pagina van begin november 2004 vrijgegeven. Toen was er nog geen jaarboek 2004. Bovendien  zouden slechtdenkenden (mijn opponenten) mij door de inhoud van deze pagina als arrogant kunnen stigmatiseren en nog verder verketteren. 
Ook hierom heb ik mij toen voorgenomen, om mijn onderzoek eerst verder te ontwikkelen.


Hans Willems.

Curaçao, 02 november 2004

N.B.: Formattering en blauwe/rode tekst-hyperlinks zijn ± 24 oktober 2007 aangepast resp. toegevoegd



INLEIDING

Wetenschap,  in het algemeen de kennis over iets, meer in het bijzonder het systematisch geordende geheel van kennen, getoetst door middel van methodologisch onderzoek om dat geheel te verifiëren.

1. ALGEMEEN
Wetenschap is een systematische beschrijving van de wereld en een poging om de onderzochte gegevens te ordenen en samen te vatten aan de hand van (o.a. wiskundige en natuur-)wetten en regels.
Dit doet men met het doel de wereld te begrijpen, te voorspellen of om haar te kunnen beïnvloeden.

Vanaf de middeleeuwen gebruiken we dezelfde indeling van de wetenschappen.
Door het ontstaan van nieuwe wetenschappen, zoals de sociale wetenschap, en door nauwere samenwerking van vakgebieden onderling, is deze indeling enigszins onder druk komen te staan.

2. CONTRASTERENDE [tegenstelling vormende] OPVATTINGEN

Van oudsher zijn aan het type kennis, dat als wetenschap te boek staat, kenmerken toegekend als:

'De (professionele, amateur- of leken-) wetenschapsbeoefenaar tracht in zijn sector de verschijnselen, die zich door ervaringsprocessen aan hem voordoen, systematisch te beschrijven, te ordenen, te registreren, te begrijpen, te verklaren; daarbij is hij er in het bijzonder op gericht nieuwe verschijnselen te kunnen voorspellen, om ten slotte via die voorspelbaarheid de sector in kwestie te kunnen beheersen, c.q. de verschijnselen te kunnen beïnvloeden'.
Een definitie als deze past heel goed in een bepaald idee van wetenschapsfilosofie, dat in het midden van de 19de eeuw ontstond:
positivisme. Deze stroming vormt nog steeds de spil van het wetenschappelijk denken: afstandelijk, experimenteel, metend.

Zó heeft men in verschillende tradities niet altijd tegen wetenschap aangekeken.
Het heeft in het Westen zelfs zeer lang geduurd voor er behoefte ontstond aan een scherpe omschrijving van wetenschap.
Pas toen in de 17de eeuw bijgeloof, vóóroordeel, traditie en aristotelische autoriteit onder vuur kwamen, scherpten filosofen het begrip wetenschap aan.
René Descartes formuleerde in zijn Discours de la méthode (1637), dat ontwijfelbare kennis (Lees, Een gedeelte van de alles omvattende kennis etc.) alleen ontstaat vanuit elementaire, scherp afgebakende stukjes kennis, gerangschikt als in een wiskundig bewijs; empirische waarneming blijft ondergeschikt aan het ordenende verstand.

Het nieuwe technische instrumentarium (verrekijker, microscoop, precisie-uurwerk, enz.) maakte het eindelijk mogelijk om 's mensen onbe- trouwbare zintuigen aan te vullen of zelfs te vervangen.
De Industriële Revolutie steunde met haar technische progressie de wetenschappen meer dan deze zichzelf wilden toegeven. (Uiteindelijk zou ± 1900 het motto 'True is what works' de wetenschappen over een breed front typeren).

In de 19de eeuw ontstond een wijsgerige visie [kijk op grondwaarheden] op wetenschap, waarbij de ratio [rede, oorzaak, grond] niet langer domineert, maar empirie [ervaring] en logisch-wiskundige ordening gelijk opgaan: De tijd van het 'wetenschapspositivisme' was aangebroken. (Zie ook positivisme.)
Wetenschap heette nu te bestaan uit: Getelde of gemeten instrumentele waarnemingen, methodisch verkregen, getoetst en logisch gestructureerd, die uiteindelijk leiden tot theoretische uitspraken (zo mogelijk in de vorm van een formule).

Hoewel nog steeds dominerend is positivisme toch niet (...) de enig mogelijke opvatting van wetenschap (lees, Benadering van kennis).
Anders dan in het positivisme laten andere visies zich meer gelegen liggen aan de specifieke aard van de zo verschillende objecten van wetenschappelijk onderzoek (vergelijk: moleculen, levende materie, de menselijke geest, het onbewuste, kunst, ideologie); een alles gelijk- schakelende researchmethode kan aan deze geschakeerdheid nooit recht doen.


N.B. Alle methoden van wetenschappelijke benadering van de 'allesomvattende kennis' wordt gedaan door de menselijke geest; het denken.
Het denken is wat de hersenen doen... Of het nu rationeel, (anti-)positief of romantisch is, het intellect (de ziel of levensvonk) bepaalt, wat de hersenen bewust willen (of onbewust moeten) denken of niet...


Een voorbeeld van een antipositivistische, kwalitatieve methode treft men aan in de romantiek (± 1800).
Hierin geldt de waarneembare empirische [op ervaring steunend] meetbare kant (wat men waarneemt met de zintuigen) van verschijnselen slechts als de laag van de symptomen, of als symbolische code van een eigenlijker, ideale 'binnenkant' of kern (de intrinsieke of endogene waarde);

verschijnselen in natuur of geschiedenis worden pas werkelijk informatief, als men hen benadert als een organisch geheel van eigenschappen
en verhoudingen, als een totaliteit, ontoegankelijk voor hem die alles aanstonds wil demonteren en terugbrengen tot geïsoleerde elementen.

De taak van de onderzoeker heet dan ook niet de natuur te exploiteren of te overheersen, of mens en maatschappij te reduceren tot pure nuttigheid; zijn taak is inpassing, herschikking en wegnemen van belemmeringen voor ontwikkeling.
Een dergelijk romantisch wetenschapsidee heeft (ondanks zijn veel minder uitgewerkte methodiek) in de 19de en 20ste eeuw steeds weer aandacht gekregen, en invloed uitgeoefend op researchvisies die minder ver van het positivisme afstonden.
Sinds de jaren zestig, 20ste eeuw was de romantiserende benadering bespeurbaar in de antipsychiatrie, milieubeweging, anti-autoritaire opvoeding, techniekkritiek en alternatieve geneeswijzen.

De kloof tussen zulke 'uiterste' standpunten in de visie op wetenschap lijkt niet wetenschappelijk overbrugbaar (vanuit wetenschappelijk perspectief en perceptie [resultaat van bewuste waarneming] gezien), al kan de afstand tussen het kwalitatieve en het positivistische wereldbeeld wel verkleind worden.

3. INDELING VAN DE WETENSCHAPPEN

Een belangrijk element van het wetenschapsbegrip zit in het contrast tussen wetenschap-in-het-algemeen en het brede scala van de disciplines, die zich in de loop van de tijd hebben uitgekristalliseerd vanuit een klein aantal kernwetenschappen.
De indeling ervan is 'zeer oud en is bestendig' gebleken; de grondslag is uiterst traditioneel.

De middeleeuwse indeling van de universitaire studies in vier faculteiten;

  1. theologie,
  2. vrije kunsten (artes liberales; lees, filosofie en letteren),
  3. rechten en
  4. medicijnen

vormt nog steeds de romp van het moderne bestel.
De 'vrije kunsten' waren overgenomen uit het Griekse opvoedingsideaal van de vrije burger; hij werd bij zijn training tot lid van de politieke gemeenschap onderwezen in twee groepen vakken,

Op het middeleeuws gymnasium leerde men zich hierbij op de Latijnstalige universiteit voor te bereiden.
'Prekandidaats'-studenten liepen eerst nogmaals het trivium door vóór zij ter afstudering naar een andere faculteit vertrokken.
De facultaire indeling in zulke hogescholen liep parallel met de ordening in wetenschappelijke disciplines.

In de 17de en 18de eeuw kwam deze parallellie onder druk te staan van het rationalisme [het alleen aanvaarden wat met de rede te achterhalen is]  en de Verlichting.
Buitenuniversitair actieve intellectuelen, zoals Francis Bacon, Bayle en Denis Diderot, maakten encyclopedieën, waarin wetenschappelijke kennis op een 'van de normbepalende universitairen afwijkende' manier werd geordend.
Zij introduceerden nieuwigheden als: Geschiedenis als kennisveld, wetenschappen van de mens, zij trokken filosofie en letteren meer uit elkaar, maakten in hun encyclopedie openingen van technische kennis en kundes.
Maar de universitaire weerstand tegen dergelijke nieuwlichterij was sterk, uiteraard.

Zelfs de Franse Revolutie kon de universitaire bolwerken niet slopen, al sloeg de ondergang van het bijbels-feodaal wereldbeeld wel bressen; vergelijk: de opmars van de techniek in de Industriële Revolutie (waar zij in het algemeen geen entree kreeg tot de universiteiten, ontstonden nieuwe polytechnische scholen); emancipatie van de eerste echte sociale wetenschappen uit de oude deugdenmoraal (zij werden in eerste instantie ondergebracht bij rechten en letteren); het verdwijnen van de experimentele natuurkennis (voortaan 'science' geheten) uit het filosofisch keurslijf.

De productie van nieuwe kennis, in de 19de eeuw gepaard gaand met veel wetenschapspropaganda, brak nu in het oude bestel in. Voorbeelden ervan zijn: Het evolutiedenken, tijd- en bewegingsonderzoek, perceptie [(resultaat van) het bewuste waarnemen] onderzoek.

In de 20ste eeuw versnelden wetenschappelijke en technische research zozeer, dat menigmaal de organisatie van het onderwijs en de theoretische ordening van disciplines botsen en nog...

Vooral de Tweede Wereldoorlog leidde in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië tot zeer onorthodox, maar uiterst succesrijk teamwork tussen 'universitairen', ingenieurs, militairen en organisatiedeskundigen.
De hausse aan technologisch-wetenschappelijke vernieuwingen (atoombom, kortegolfradar, raketten, de eerste computer, nieuwe assemblagetechnieken, operationele research) was zo sterk, dat de bestaande afbakening tussen de wetenschappen, waaronder Rechts- geleerdheid, niet houdbaar bleek.

Technologie, natuurwetenschappen, sociale wetenschappen en economie drongen op elkaars terrein door; min of meer improviserend ving men dit op met ad hoc-oplossingen (zoals tussenafdelingen en interfacultaire instituten).

De 'facultaire' vakkenindeling in het wetenschappelijk onderwijs rijmt niet meer met de inhoudelijke transformatie van wetenschappen.